“Generiek waar het kan en specifiek waar het moet”

Wie ooit heeft gewerkt aan een omvangrijk ict-project in een grote organisatie kent het gevoel vast wel. We zijn allemaal met iets bezig maar of het ook in enige samenhang gebeurt, is niet helemaal duidelijk, of helemaal niet. In zo’n omgeving voelen enterprise-architecten zich als een vis in het water. Bij Programma Elektronische Gegevensuitwisseling in de Zorg (EGIZ) is dat Gieneke Veenen. In de vorige nieuwsbrief stelde zij zich al voor, nu duikt ze de diepte in over haar werk. Wat betekent haar werk voor het programma EGIZ?

Gieneke: “Enterprise-architecten hebben in algemene zin als taak complexe vraagstukken in hun samenhang te analyseren. Ze doen dat vanuit diverse stakeholdersperspectieven. Hun werk geeft organisaties nieuwe inzichten, laat de consequenties zien van eventuele veranderingen én geeft ondersteuning om veranderingen beheersbaar te houden.

Informatietechnologie inzetten voor oplossingen

Kwesties waarmee enterprise-architecten te maken krijgen gaan vrijwel altijd over informatietechnologie die ingezet wordt om dichterbij de oplossing te komen. Een bank bijvoorbeeld kan zich afvragen hoe ze hun dienstverlening persoonlijker kunnen maken zonder de kosten te hoeven verhogen. De oplossingsrichting van de enterprise-architect kan dan zijn om de klanten via websites en apps allerlei diensten te kunnen laten uitvoeren op het moment dat het hen uitkomt, en tegelijkertijd de fysieke ondersteuning bij lokale bankfilialen te verminderen.

Het verschil met technisch architecten is dat zij zich richten op de vraag hoe ict-oplossingen vervolgens gerealiseerd kunnen worden. Enterprise-architecten kijken in de volle breedte om de technologie aan te laten sluiten bij de organisatie. Door de toenemende complexiteit van organisaties en dienstverlening wordt het werk van een enterprise-architect steeds belangrijker.

Begrijpelijk maken en meedenken over investeringen

Voor mij als enterprise-architect betekent dat ook dat ik de materie begrijpelijk maak voor de bestuurders en besluitvormers en dat ik meedenk over investeringen die nodig zijn en waar we tijd en aandacht aan besteden. Een enterprise-architect doet dat vanuit informatiebeleid, net zoals een  econoom het vanuit geld zou doen.

‘Mijn’ programma EGIZ ondersteunt goede zorgverlening. We willen dat faciliteren door de juiste gegevens op het juiste moment op de juiste plek te krijgen. Hiermee willen we bereiken dat informatie die al eerder is vastgelegd beschikbaar is op andere plekken. Dat is bijvoorbeeld nuttig als een cliënt doorverwezen wordt van een algemeen ziekenhuis naar een specialistisch behandelcentrum. De informatie over medische klachten, voorgeschiedenis, verzekering maar ook de resultaten van eerder onderzoek verhuizen automatisch mee met de cliënt, zodat ze direct beschikbaar zijn in de nieuwe behandelomgeving.

Registreren, delen, verwerken

Je kunt informatie pas geautomatiseerd verwerken als het gestructureerd volgens vaste afspraken wordt aangeleverd. Voordat het zover is, moet de informatie eerst geregistreerd zijn. Pas daarna kan het, ook liefst gestructureerd, gedeeld worden. Bij voorkeur gebeurt dat op zo’n manier dat het ontvangende systeem gegevens geautomatiseerd kan verwerken. Dat heet interoperabiliteit. Om dat te kunnen doen, zijn gezamenlijke afspraken nodig op alle organisatieniveaus, van beleid tot infrastructuur. Architectuur helpt om inzichtelijk te maken welke afspraken noodzakelijk zijn.

Van bovenaf kijken

In mijn vak maken we daarbij gebruik van het interoperabiliteitsmodel van Nictiz. Er is afstemming op alle lagen nodig om tot oplossingen te komen die interoperabiliteit tot stand te brengen tussen twee zelfstandig opererende organisaties, zoals bij de elektronische gegevensuitwisseling tussen het ziekenhuis en het specialistische behandelcentrum. Technische architecten gebruiken het model ook, alleen kijken zij van onderaf, en een enterprise-architect van bovenaf.

Afbeelding van het interoperabiliteitsmodel van Nictiz
Beeld: ©Nictiz / www.nictiz.nl/standaardisatie/interoperabiliteit/
Interoperabiliteitsmodel Nictiz

Binnen het programma ondersteun ik alle vier de projectleiders van het programma EGIZ bij de gegevensuitwisselingen die zij opzetten en vormgeven: Digitaal Receptenverkeer, Basisgegevensset Zorg, Verpleegkundige overdracht, en Beelduitwisseling. Met hen ga ik na welke generieke vragen en functies er zijn en of we die in één vorm kunnen vangen, zodat andere gegevensuitwisselingen ervan kunnen profiteren. Steeds kijk ik door de bril van ‘generiek waar het kan en specifiek waar het moet’.

Gemeenschappelijke delers opsporen

Een voorbeeld van zo’n gemeenschappelijke deler is dat alle gegevensuitwisselingen willen weten dat het over de juiste cliënt gaat. De afspraak is dan dat er gebruikgemaakt wordt van het bsn. Of dat met eenduidige codes de zorgverleners benoemd worden die bij een cliënt betrokken zijn in plaats van met diverse codes. Of wat er moet gebeuren zodat er betrouwbaar wordt uitgewisseld en dat de zender zeker weet dat zijn boodschap aankomt aan de overkant.

We hebben nu een overzicht van de generieke functies die nodig zijn: toestemming om de gegevens uit te mogen wisselen, waar zijn cliëntgegevens beschikbaar, identificatie van zorgverlener en cliënten, autorisatie van zorgverleners en adresgegevens.

De roep is om de gemeenschappelijke functies eenduidig te maken zodat de gegevensuitwisselingen op dezelfde manier gebruikt kunnen worden. Dat gebeurt nu met NEN-normering.

Apothekers, zorgverleners en bestuurders met elkaar in contact brengen

De gedachte bij gegevensuitwisseling is vaak: als we het maar digitaal hebben, dan gaat de rest vanzelf. Maar dat is niet zo. Mijn taak is daarom ook om apothekers, zorgverleners en bestuurders met elkaar in contact te brengen en ze de mogelijkheden van de techniek te laten zien, ook als ze minder technisch onderlegd zijn. Als ik het tegen het interoperabiliteitsmodel aanhoud, gaat het om de vertaling van hun wensen op het gebied van organisatiebeleid en zorgproces naar mogelijkheden voor de lagen eronder.

Wat nu duidelijk aan het worden is, is aandacht voor het generieke en gemeenschappelijke binnen alle toekomstig verplichte uitwisselingen in het programma. Nu is hierbij de vraag of we de eisen moeten gaan beschrijven en het mogelijk maken dat er diverse leveranciers kunnen zijn die oplossingen naast elkaar kunnen aanbieden. Of is het beter één centrale oplossing aan te bieden? Dit is een inhoudelijke vraag.  Tot nu toe was er heel veel aandacht voor het proces en de randvoorwaarden om het programma vorm te geven. Nu zou het meer moeten gaan over hoe er daadwerkelijk uitwisselingen tot stand gaan komen.”

Gieneke Veenen
Beeld: ©Gieneke Veenen / Gieneke Veenen